zondag 18 oktober 2015

18 oktober, terug in Leeuwarden

Onze aankomst beschreven in de Leeuwarder Courant van 20 october 1815. Bron: KB, Delpher.nl

Geachte lezers van mijn Dagverhaal,

En zo is er dan een einde gekomen aan mijn reis naar Frankrijk. We zijn allen, uitgezonderd de ongelukkige jager Schmit, veilig teruggekeerd in Leeuwarden, van waaruit we op 13 Julij waren vertrokken. Met grote blijdschap drukken wij onze dierbare familie en vrienden, die wij zo lang hebben moeten missen, aan onze borst.
De dag na onze aankomst is onze Compagnie officieel ontbonden. Ons vaandel wordt op het Gouvernementshuis aan de Tweebaksmarkt gedeponeerd. Onze welwillende vorst, koning Willem I, verleent alle leden van onze Compagnie op 12 maart 1818 een zilveren Eremedaille. Deze is aan de voorzijde gegraveerd met de tekst 'Voor koning en vaderland' en aan de keerzijde draagt de medaille het wapen van de provincie Friesland.
Ik ben heel trots op dit blijk van waardering en wat ik na Waterloo voor vorst en vaderland heb kunnen betekenen. Nu ga ik terug naar mijn woonplaats Sondel en dan is het volgende week weer aan het werk bij de rechtbank in Sneek.

Ik dank alle lezers voor het volgen van mijn blog en hun blijken van instemming en waardering voor wat ik onderweg heb meegemaakt en heb opgeschreven.

Het ga u allen goed!

Bavius van Hylckama

dinsdag 13 oktober 2015

13 oktober, het einde is in zicht

Bericht in de Leeuwarder Courant van 13 oktober 1815. Bron: Delpher.nl

Beste lezers,

En hier stopt dan mijn Dagverhaal. De reis van Deventer tot de aankomst in Leeuwarden moet ik u helaas onthouden, want die heb ik niet meer genoteerd. Het spijt me dat ik u, geëerde lezer, moet teleurstellen.
Op 18 oktober zal ik voor degenen onder u die daartoe interesse heeft, verslag doen van wat er in de kranten over onze aankomst geschreven is.

Graag tot volgende week!

Uw gewillige dienaar,
Bavius.

maandag 12 oktober 2015

12 oktober, aankomst in Deventer

Het inhalen van de Nederlandse bezetting door het korps burger muzikanten binnen Deventer, 26  april 1814, Theodoor Koning, Nicolaas Sonnenberg, 1814. 
Rijksmuseum Amsterdam, publiek domein.

12e [october] marcheerden wij vroegtijdig naar Deventer, de geboorteplaats van mijn lieve moeder. De stad is niet zeer aangenaam en heeft over ’t geheel een luguber aanzien. De buitenwandelingen zijn geheel meest vernielt door het omkappen der bomen tijdens het beleg1. Er is hier weinig remarquabels te zien en daarbij was het weder zeer onaangenaam en gedurige regen die ons reeds op marsch der­waards doorweekte . De weg naar die stad is meest zwaar zand. Wij passeerden een dorp welke naam ik ben vergeten. Wij wierden door de Generaal Zweerds de Landas2 geïnspecteerd.

1 Na de installatie van Willem I tot koning van Nederland was Deventer één van de laatste steden waar een Franse bezetting stand had gehouden. De stad werd op 12 november omsingeld door Kozakken. Op 26 april 1814 was het beleg van Deventer afgelopen. De Franse troepen kregen een vrijgeleide en konden met wapens en al naar hun vaderland terugkeren, zie Help! De kozakken komen door Lo van der Wal en Anne Aalders, Met gevelde lans en losse teugel en Kozakken in Nederland  1813-1814.
2 Waarschijnlijk Jacob Derk Sweerts de Landas (Gorinchem 1759-Den Haag 1820), luitenant-generaal.

zondag 11 oktober 2015

11 oktober, rustdag in Zutphen

11 oct[ober]. […] hielden, ging ik den volgenden dag eene theevisite bij mevrouw maken. Tinco zogt ik ook over te halen van mede te gaan,  doch deze had andere plans en bezigheden, zodat ik alleen derwaards mij begaf en zeer vriendelijk door mijnheer en mevrouw1 beide wierd gerecipieerd  en aldaar een uur à 2 aangenaam, over allerhande oude dingen met mevrouw pratende, bleef passeren. Ik vond er nog twee dames, beide in diepe rouw gekleed, zijnde de eene die er heel wel uitzag, na twee jaren gehuwd, reeds weduw, zijnde haar man bij Waterloo op het bed van eer voor het vaderland gesneuveld. Het waren, zo ik wel meene, de dochters van den overste Pijman, gewezen Minister van Oorlog2, en jongere broeder van dezen. Men verzogt mij des avonds te souperen, waarvoor ik echter moest bedanken, als hebbende reeds andere plans voor dien avond met mijne camaraden gemaakt.
Vervolgens afscheid van deze goede menschen neemende, begaf ik mij van daar naar de Sociëteit, alwaar ik mijn oude vriend Verhagen, met wie ik gedurende mijn academietijd te Groningen menig aangename uren had doorgebragt, na enige jaren afzijns, rencontreerde3. Hij was thans ritmeester onder de Carabiniers ingehuurd. En in Groningen had ik hem in 1806. of [180]7. als Lieutenant onder de Dragonders gekend. Ook mijn academie-kennis de heer Lulofs4, thans professor aan de Academie van Groningen, ontmoetede ik aldaar en vernieuwden alzo onze vorige kennis.

B.H. Lulofs, prent van Jan Baptist Tetar van Elven naar een tekening van Kayser. Rijksmuseum Amsterdam, Publiek domein.















De buitenwerken der stad, als mede de stadswallen, zijn zeer fraaij en wel bezienswaardig. Des namiddags ging ik, ald[aar]daar genodigd zijnde, bij eene mijnheer Welther5 thee drinken, wiens zoon onder hetzelvde Bataillon van mijn broeder Frisius diende, en zijn vriend was, volgens het zeggen van de oude heer, en ook de Willemsorde had bekomen. Wij hadden dus druk praten. Het waren vriendelijke lieden. Een heel aardig nigtje met een kornetje, die er allerliefst uitzag, maakte de conversatie nog aangenamer. Over ‘t geheel klaagden onze camaraden hier over slegte logementen die de maire had doen geven, doch wij hadden het zeer goed.
Des anderen daags ’s morgens[ …]



1 Frederik Adrianus Ludolph Pijman (Zwolle 1751-Zutphen 1820), majoor onder Daendels (1799), later kolonel. Hij was gehuwd met Eelkje Tervile (1751-1817), dochter van een militair, zie NNBW 7, 1128.
2 Gerrit Jan Pijman (Deventer 1750-1839) was tot juli 1806 Minister van Oorlog en in 1807 enige maanden directeur-generaal der Posterijen. Hij had een broer Jan Adolf (*1759), een kolonel die in 1812 op de terugtocht uit Rusland is gesneuveld, zie Wikipedia.
rencontreerde: onmoette.
Barthold Henrik Lulofs (Zutphen, 1787 - Groningen, 849) was een Nederlands schrijver, dichter en vanaf 1815 hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, welsprekendheid en vaderlandse geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schreef tevens onder de pseudoniemen Bartholomaeus Ludolphides Gelrus, Hilarides en Jan de Schreeuwer, zie Wikipedia.
5 Mogelijk de vader van Isaak Wilhelm Walther (Amsterdam 1794-Breda 1857), zie Wikipedia.

zaterdag 10 oktober 2015

10 oktober, van Arnhem naar Zutphen

10 october 1815. Was het weder des morgens (na eerst des avonds ten einde mijn vriendelijke hospita en hospes niet in hunne zagte slaap te storen, een hartelijk afscheid te hebben genomen) rechts uit de flank naar Zutphen. Het weder was recht goed, doch koud, zoals het den vorigen dag ook was geweest. Wij passeerden over het aangenaame dorp Velp en ik herinner mij onder den marsch nog dikmaals de aangename dagen welke ik te Arnhem met mijn beste ouders gedurende de grote vacantie aldaar bij mijn oom en tante van Gendt1 had gepasseerd. De weg welke wij passeerden, loopt grotendeels langs de Rijn en is alleraangenaamst.
Wij passeerden het aangenaame en voortreffelijke Reederoord2 en het dorp …..3 alwaar onze voormalige Stadhouder Willem de 5. een lustplaats heeft gehad, doch welke met de Revolutie door onze toenmalige Fransche broeders helaas is verbrand, ellendige en laaghartige wraak, een Franschman waardig!
En passant zag ik nog aan den weg een fraaije koepel, geheel van ruwe boomstammen, met mos belegd, gemaakt in de smaaks van een tempeltje des ouden; in mijn kwartier komende, maakte ik daarvan een schets. Zo naderden wij Zutphen, 4½ uur van Arnhem gelegen, eene vrij aanzienlijke stad, en van aangename environs omgeven; de plaats waar de eerbiedwaardige menschenvriend Martinetzeer waarschijnlijk zijn uitmuntend werk over de Natuurlijke Historie, of Catheg[ismus] der Natuur. heeft geschreven en waar die grote man op menige bladzijde het aangenaam gelegen Zutphen prijst en verheft.


Gezicht op de Grote Markt en de Wijnhuistoren te Zutphen, Jan Caspar Philips, 1741. Rijksmuseum Amsterdam, Publiek domein.

Ik wierd hier met mijn vriend Biersma van ’t Heerenveen ingekwartierd bij eene mijnh[eer] Ten Cate, een rijtuig- en kladschilder5, wonende in de Schipperstraat, bestaande de famille van dezen man in 3 aardige dochters en een zoon. Allerbeste menschen die ons naar hun vermogen zeer wel  onthaalden. Het jongste van deeze meisjes was, zo als het heette, geëngageert6 met een officier, Van Goor genaamd, Lieut[enant] onder de aldaar in guarnisoen liggende Carabieniers. Een ander officier kwam daar ook veel aan huis en maakte het hof aan de oudere dochter, hetgeen ons vrij wat geneerde en ons veelal onze tijd elders deed doorbrengen. De oudste dogter (zo verhaalde de vader en moeder met veel opgeblazenheid) bevond zich te Brussel en was geplaatst als huishoudster bij Z.E. den Minister van Buitenl[andse] Zaken7, doch zeer waarschijnlijk - zo dagt ik dadelijk op het horen - dat zij er wel uitzag als Mait…8 van Z.E. Nu, dat is het zelvde.
Hier had ik het genoegen, van des avonds in de Sociëteit  zijnde (die waarlijk fraaij is), den ouden overste Pijman, den vriend van onze gansche famille, te ontmoeten,  die hier in rust en vrede in een allerliefst huisje zijn pensioen verteert en daar wij des anderen daags hier rustdag […]



1 Geertruid van Nauta, een oudere zuster van Bavius' moeder Tjitske van Nauta, was in 1793 gehuwd met de uit Nijmegen afkomstige Wilhelm Godard Johan van Gendt.
2 Rhederoord is een historische buitenplaats bij De Steeg in de gemeente Rheden.
3 hier staat een stippellijntje, de plaatsnaam is niet ingevuld. Bavius refereert aan kasteel Dieren dat door de Fransen was verwoest. Het schilderijenkabinet, de bibliotheek en andere kostbaarheden waren door de Franse bezetter als oorlogsbuit naar Parijs gezonden en in het Louvre ondergebracht.
4 Johannes Florentius (Jan Floris) Martinet (Deurne,1729 - Amsterdam, 1795) was natuurkundig historicus, schrijver, pedagoog, theoloog en predikant te Gellicum en Rhenoy (1756-1759), Edam (1759-1775) en Zutphen (1775-1795). Hij schreef de Katechismus der Natuur, dat vele malen vertaald werd en tot in de twintigste eeuw op scholen werd gebruikt. De plek waar hij dat werk schreef was de (nu zo genoemde) Martinetkoepel op de Zutphense stadsmuur (zie Wikipedia).
5 Een kladschilder is gespecialiseerd in het schilderwerk aan huizen en inrichtingen, waarbij hij ook beschikte over de vaardigheid tot het aanbrengen van decoratieve motieven, wapenschilden en gekalligrafeerde teksten (zie Wikipedia).
6 verloofd.
7 waarschijnlijk Anne Willem Carel baron van Nagell van Ampsen, tot 1795 burgemeester van Zutphen; 1814-1815 secretaris van staat bij Buitenlandse zaken; 1815-1823 minister van Buitelandse zaken; zie Wikipedia en het Parlementair Documentatie Centrum
8 hier staan drie stippels, als afkorting voor 'Maîtresse'.

vrijdag 9 oktober 2015

9 oktober, van Nijmegen naar Arnhem

9 October. ’s Ander daags morgens te 7½ uren marcheerden wij weder om, af op de stad Arnhem, ten uiterste voldaan over de gulle receptie van de Nijmegenaars. En hadden nu zelve het genoegen om tegelijk met een compagnie Canoniers die naar Groningen moesten, over de Waal gezet te worden. Gemelde Compagnie bleef ons tot Arnhem vergezellen, hetgeen vrij wat levendigheid op weg veroorzaakte. De weg op Arnhem is alleraangenaamst. Wij passeerden een hoge polderdijk en twee voorname dorpen, met name Lent en Elst1 en kwamen te 11½ uur Arnhem binnen.
Ik kreeg een billet van inkwartiering bij eene mijnheer Andres in de Rhijnstraat, huishoudende met zijne twee zusters, beide lieve meisjes, en een jongere broeder. Het jongste meisje, die er heel wel uitzag, was reeds verloofd, doch kwam mij een weinig geaffecteerd voor. De oudste, geheel niet fraaij, was nog verkrijgbaar. Ik had het hier zeer goed, en was op een allernetst kamertje gelogeerd. Zijne affaire was een ijzerfabriek. Het gehele ensemble was zeer fatsoenlijk en ordentlijk. Zij had de vriendelijkheid mij overal op de wandeling te vergezellen en bragt mij des avonds in de Sociëteit in de Weerdstraat2 alwaar wij den avond bleven passeren en ons wel amuseerden.


Gezicht op de Rijn beneden Arnhem door H.W. Couwenberg, 1838. 
Rijksmuseum Amsterdam, publiek domein.

De Arnhemsche Jagers te paard waren twee dagen voor ons daarbinnen gemarcheerd, en zeer te onvrede over de behandeling van de Stedelijke Commissie tot aanmoediging van de vrijw[illigen] dienst – want o schande! reeds drie dagen voor hunl[ieden] arrivement, had men reeds het billet van veiling der paarden op de Rhijnbrug aangeplakt. Een der Jagers las de affiche en smeet van woede zadel en dek van zijn paard in den Rhijn, en liet het drijven. Ook hebben zij reeds een uur na hun arrivement hunne paarden met zadel en trens, op expresse wil van die Commissie moeten afgeven. Alle deze heren waren ten uiterte over deze slechte handelwijze verontwaardigd en het vaderlandsche enthousiasme scheen mij vrij wat bekoeld. Des avonds zelfs, zwoeren zij nimmer weder, hoe hoog de nood van het Vaderland ook immer mogte rijzen, vrijwillige dienst te zullen praesteren. Elk was over deze handelswijze ten hoogsten geïndigneerd, zelfs de voornaamste inwoners der stad.
In den loop van dien dag, terwijl wij de paardenverkoop gingen bijwonen, zag ik ook de schutterij exerceren op het Drilveld en moest bij die gelegenheid hartelijk lagchen over het figuur dat een dikbuikige Jood in het voorste gelid maakte, zodat hem door den Lieut[enant] van tijd tot tijd bij de richting der gelederen wierd toegeschreeuwd: "Terug wat Nathan!"


1 Elst is op een stippellijntje geplaatst, wat weer een sterke aanwijzing is dat het Dagverhaal overgeschreven is of later geschreven is.
2 mogelijk bedoeldt Bavius de Weerdjesstraat.

donderdag 8 oktober 2015

8 oktober, van Gassel naar Nijmegen


De Belvedère, foto ca. 1900 (Wikimedia Commons, publiek domein).











8. […] op weg om de compagnie op te zoeken. Wij vertrokken heden den 8 van hier ongeveer te 7 uren op Nimeghen, en arriveren daar om streeks 11 uren. Kort bij ons dorp wierd onze compag­nie met een pont over de Waal gezet. Als daar wort de weg veel aangenamer en boschrijker, men ziet van tijd tot tijd een schone buitenplaats, en dit duurt zo tot een half uur distantie van Nimegen, wanneer men weder niets vindt wat enigsints het oog kon bekoren. Het gewone lot van alle versterkte plaatsen waar alles wat ener boom gelijkt in de nabijheid wort weg geruimd, ten einde in oorlogs tijd aan den vijand alle schuilplaatsen te ontnemen. De buitenwerken der vesting waaren thans grotendeels verciert en geheel in order gebragt. Bij het inmarcheren van onze  Compagnie (zijnde zo ik meen op een zondag)1, kwam een menigte volk op de been en het kwam mij voor aan de gelaatstrekken van het gepeupel, dat men ons niet ongenegen was. Op de Markt halte gehouden hebbende, wierden de billetten als naar gewoonte onder de manschappen uitge­deeld en ieder spoede zich naar zijn logement, om eensdeels aan de behoeftens van zijn maag te voldoen, ander­deels, om zich een weinig van schoon linnen te voorzien.

Ik was gelogeerd met mijne camaraden in het Logement "de Ridder Sint Joris" bij Alders in de Molen­straat2. (Mijn eerste billet was bij de juffrouw Jamin, doch hier was het mij te eenzaam, dewijl  dit zo ik hoorde reeds een mensch van jaren was.) Ik verkoos dus liever bij mijne kamaraden te zijn. Hier hadden wij het exellent en waren aldaar (except de wijn) op kosten van de regering inge­kwar­tierd. De huishouding aldaar kwam mij uitermaten vrolijk en losjes voor, ook de keukenprinces en werk­meid schenen wel meer militairen gelogeerd gehad te hebben. Tafel, ligging, etc. etc. was hier uitermaten goed. Wij amuseerden ons meest thuis en hielden ’s morgens onze sociëteit in de voorkamer, die een aller aangenaamst uitzicht op de brede straat had.

Des avonds wierden wij in de Sociëteit 'de Harmonie'3 geïntroduceerd die zeer fraaij en goed verligt was en spreken hier enige kennissen, onder anderen de heer Schenk van Nijdeggen. Wij hadden den dag met wandelen doorgebragt in de stad die nogal fraaij is door gelopen en dronken de thee op de Belvidere4, een schoon gebouw van waar men een alles verrukkendst gezigt heeft over de Waal die hier onder langs stroomt, en over de aangename environs. Als men zich boven op het torentje begeeft, heeft men een ruim gezigt over de gansche stad en de uitgebreide fortesse. Het Valkenhof, alwaar [men] nog een bouwval van een tempel vindt (door Drusus zoo men zegt, gestigt)5, verdient, om derzelfs aardige hoezeer niet uitgebreide wandelplaatsen, bijzondere opmerking.

F. Maaskamp, de Gierbrug bij Nijmegen, ca. 1800 (privécollectie).

Wij bezigtigden voords de Gierbrug6, die uit twee zware schepen is zamen­gesteld, door zware ketens aan elkander als ’t ware vast geklonken, waarover een plat dek ligt, en zodanig gemaakt als of het een enkel schip was. De brug is voorzien van twee zware mas­ten regtstandig nevens elkander met een dwarsbalk, volmaakt in het figuur van een galg  voor­stellende voorzien. Over deze balk loopt een zwaar ankertouw, hetgeen over de gansche lengte van het schip of brug heen loopt, en aan kleine booten, die een eind wegs de Waal op naast elkander liggen, is vastgemaakt. Agt zulke boten verrigten het gansche werk: zodra de Gierbrug los wordt gemaakt, gaat de eerste boot mede, de andere volgen en de laatste ligt aan een anker vast. De overvaart is wegens de woeste stroom zeer snel. Men heeft slechts behoorlijk op het roer te passen en alles redt zich van zelven. Een klokje aan weerskanten van de Waal geplaatst, vermeldt den reiziger wederom de tijd van overvaren: de brug is zoo groot dat een bataillon soldaten zonder eenige zwarigheid er zeer gemakkelijk daarop kan staan.

Ik voorzag mij hier voor mijn vertrek van een aardig oud tabaksdoosje, die hier en allerwege zeer gerenommeerd zijn.

Tabaksdoos met het zogenaamde 'raadsel van Nijmegen', 19de eeuw, Museum Het Valkhof, (publiek domein.) 



1 dit is een aanwijzing dat het verslag achteraf is opgeschreven, want anders had Bavius het wel zeker geweten.
2 gelegen aan de Molenstraat 80, thans een gemeentelijk monument. In 1817 werd in het logement de Nijmeegse afdeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen opgericht. In 1822 werd het logement verkocht en werd het een particulier woonhuis.
3 Sociëteit 'De Harmonie' was in 1812 opgericht. In 1934 ging ze failliet en werd het gebouw verkocht.
4 De Belvédère was een wacht- of uitkijktoren, gelegen aan de oostzijde van het Valkhof in het Kelfkensbos. De toren, gebouwd in het midden van de 15de eeuw als waltoren, is omstreeks 1646 door de stadsbouwmeester Peter van Blokhout verhoogd tot "speeltoren", zie Wikipedia.
5 In 12 v.C. werd onder Drusus een campagne tegen de Batavieren uitgevoerd vanuit het Romeinse legerkamp op de Hunnerberg, iets ten oosten van het Valkhof.
6 zie http://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/Veerdienst_over_de_Waal. De gierbrug is in 1657 gebouwd en bleef in gebruik tot begin 20ste eeuw. Hij 'giert' door de stroming over het water. Aan de noordkant van de Waal, bij Lent was een aanlegsteiger gebouwd. De brug droeg de naam 'Zeldenrust' omdat hij constant in gebruik was.