vrijdag 9 oktober 2015

9 oktober, van Nijmegen naar Arnhem

9 October. ’s Ander daags morgens te 7½ uren marcheerden wij weder om, af op de stad Arnhem, ten uiterste voldaan over de gulle receptie van de Nijmegenaars. En hadden nu zelve het genoegen om tegelijk met een compagnie Canoniers die naar Groningen moesten, over de Waal gezet te worden. Gemelde Compagnie bleef ons tot Arnhem vergezellen, hetgeen vrij wat levendigheid op weg veroorzaakte. De weg op Arnhem is alleraangenaamst. Wij passeerden een hoge polderdijk en twee voorname dorpen, met name Lent en Elst1 en kwamen te 11½ uur Arnhem binnen.
Ik kreeg een billet van inkwartiering bij eene mijnheer Andres in de Rhijnstraat, huishoudende met zijne twee zusters, beide lieve meisjes, en een jongere broeder. Het jongste meisje, die er heel wel uitzag, was reeds verloofd, doch kwam mij een weinig geaffecteerd voor. De oudste, geheel niet fraaij, was nog verkrijgbaar. Ik had het hier zeer goed, en was op een allernetst kamertje gelogeerd. Zijne affaire was een ijzerfabriek. Het gehele ensemble was zeer fatsoenlijk en ordentlijk. Zij had de vriendelijkheid mij overal op de wandeling te vergezellen en bragt mij des avonds in de Sociëteit in de Weerdstraat2 alwaar wij den avond bleven passeren en ons wel amuseerden.


Gezicht op de Rijn beneden Arnhem door H.W. Couwenberg, 1838. 
Rijksmuseum Amsterdam, publiek domein.

De Arnhemsche Jagers te paard waren twee dagen voor ons daarbinnen gemarcheerd, en zeer te onvrede over de behandeling van de Stedelijke Commissie tot aanmoediging van de vrijw[illigen] dienst – want o schande! reeds drie dagen voor hunl[ieden] arrivement, had men reeds het billet van veiling der paarden op de Rhijnbrug aangeplakt. Een der Jagers las de affiche en smeet van woede zadel en dek van zijn paard in den Rhijn, en liet het drijven. Ook hebben zij reeds een uur na hun arrivement hunne paarden met zadel en trens, op expresse wil van die Commissie moeten afgeven. Alle deze heren waren ten uiterte over deze slechte handelwijze verontwaardigd en het vaderlandsche enthousiasme scheen mij vrij wat bekoeld. Des avonds zelfs, zwoeren zij nimmer weder, hoe hoog de nood van het Vaderland ook immer mogte rijzen, vrijwillige dienst te zullen praesteren. Elk was over deze handelswijze ten hoogsten geïndigneerd, zelfs de voornaamste inwoners der stad.
In den loop van dien dag, terwijl wij de paardenverkoop gingen bijwonen, zag ik ook de schutterij exerceren op het Drilveld en moest bij die gelegenheid hartelijk lagchen over het figuur dat een dikbuikige Jood in het voorste gelid maakte, zodat hem door den Lieut[enant] van tijd tot tijd bij de richting der gelederen wierd toegeschreeuwd: "Terug wat Nathan!"


1 Elst is op een stippellijntje geplaatst, wat weer een sterke aanwijzing is dat het Dagverhaal overgeschreven is of later geschreven is.
2 mogelijk bedoeldt Bavius de Weerdjesstraat.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten